Hoeveel vrijheid heeft en neemt de gemeente?

Hoeveel vrijheid heeft en neemt de gemeente?

Maandagavond 22 september. Daar was Nieuwsuur. Vanuit Verbindingsfactor plugden we de uitzending al. Het zou gaan om de voortgang van de transitie Jeugdzorg en Leonard Geluk zou aan het woord komen namens de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd (TSJ), in het leven geroepen om de voortgang van de transitie te monitoren. Al enige tijd komen zij om de zoveel maanden met een voortgangsrapportage die aan de Kamer wordt aangeboden. Steeds vol concrete adviezen, zorgen en vol vertrouwen dat het allemaal wel goed komt met de transitie.

Toegegeven, die hoop is denk ik terecht. Het komt ook goed. Er is veel vertrouwen en motivatie om de decentralisatie van jeugdzorg lokaal / regionaal echt voor elkaar te krijgen.
Uitéindelijk komt het wel goed. Toch?

Naast commissievoorzitter Geluk, kwam ook de gemeente Gemert aan het woord. Zij lieten met trots zien hoe zij in het dorp vorm gaan geven aan het ‘dichterbij brengen’ van zorg. Het ging vooral over de toegang naar de zorg. Oftewel, het bepalen of zorg nodig is. Of het voor ouders die een vraag hebben over de ontwikkeling van hun kind, goed is zich tot een professionele jeugdhulpaanbieder te wenden. Dat laagdrempelig aanbieden is een mooie gedachte. Hoe richt je dat in? Gemert heeft daarvoor onder andere ‘dorpsondersteuners’ benoemd. Dorpsbewoners die zichzelf in de uitzending ‘buurvrouw plus’ noemen en die hun onderbuikgevoel een belangrijk signaleringsinstrument vinden. Mooi toch? Nou nee, ik kreeg er de kriebels van over mijn rug.

Later benoemde ik op Twitter in gesprek met Tweede Kamerlid Lea Bouwmeester dat de uitzending van Nieuwsuur de enge onwetendheid van gemeenten duidelijk liet zien. Natuurlijk is het een soort van lieve gedachte dat dorpsbewoners elkaar helpen. Maar het gaat hier niet om een oudere dame helpen met boodschappen doen. Het gaat om de ontwikkeling van kinderen. En vooral, het kan en zal gaan om kwetsbare gezinnen. Waar vaak veel meer aan de hand is dan ouders durven uitspreken of waar zij zelf zicht op hebben. Een ouder met grote zorgen over misschien wel meer dan alleen hun kindje, zullen die zich tot de dorpsondersteuner richten? Of denken zij wel drie keer na voordat ze die stap zetten? En is het dan niet te laat? En waar is de school in dit verhaal? Wordt die betrokken of bespreken we de zorgen over kinderen straks gewoon bij een schoolreisje waar de buurvrouw-plus ook helpt met boterhammen smeren? Schrikbarend was ook dat de gemeente letterlijk benoemde dat het gaat om amateurs, “professionals zijn namelijk niet altijd nodig”. Aldus de gemeente.

Wat liet Gemert zien?
Gemeenten kopen vanaf 2015 zelf de ggz voor kinderen in. Dat lichten we toe in dit artikel. Dat die zorg van goede kwaliteit moet zijn, is stevig vastgelegd in de nieuwe Jeugdwet en wordt het Kwaliteitskader Jeugd genoemd.  Om de transitie ‘soepel’ te laten verlopen, is eerder dit jaar een zogenaamde focuslijst opgesteld met 10 aandachtspunten waar iedere gemeente dit jaar nog van moet zorgen dat het geregeld is. Continuïteit van zorg en toegang tot zorg zijn hier belangrijke onderdelen in.

De continuïteit betekent dat gemeenten garant moeten staan dat zorg die in 2014 is gestart, in 2015 door moet kunnen gaan. Toegang tot zorg betekent dat gemeenten vorm moeten geven aan de verwijzingstructuur. Dat laatste resulteert veelal in twee vormen die per gemeente kan verschillen (let wel, er zijn ruim 400 gemeenten. Succes als u gaat verhuizen). Een ‘loket’ ingericht door de gemeente zelf of de gemeente besteedt het verwijzen uit naar een sociaal wijkteam of Centrum voor Jeugd en Gezin waarin diverse professionals zitten. Uiteraard zijn ook hier kwaliteitscriteria voor, maar de laag ervóór is vrij in te richten. Hier kunnen gemeenten het begrip ‘laagdrempelig’ iets te serieus nemen. Dan is er dus veel ruimte voor creatieve ideeën. Zoals de buurvrouw-plus.

Nuance?
Natuurlijk reageerde Gemert na en gedurende de uitzending dat het interview met hen uit verband werd getrokken. Daar ben ik het niet mee eens. Ok, ze verwijzen niet formeel. De buurvrouw-plus schrijft geen indicatie en neemt niet de formele rol van verwijsteam over. Dat is belangrijk om te benoemen. Maar, Gemert zegt wel “Dorpsondersteuners signaleren en verwijzen meteen door naar professionals wanneer dat nodig is, zorg wordt gegarandeerd”. Klinkt goed toch? Nee. Subtiel deel van de zin ‘wanneer dat nodig is’. En daar zit ‘m het grote verschil. Bepalen of de zorg nodig is, dat is geen werk voor de – met alle goede bedoelingen en soms (of vaak) vast ook goede inzichten – dorpsondersteuner.

Wat is dan nodig? Hoe breng je zorg dichterbij?
Lea Bouwmeester vroeg terecht aan mij door. “We willen de beste zorg voor de jeugd en iemand die dat goed kan beoordelen. Hoe kan dat beter dan nu?”, “Hoe zetten we het belang van het kind dan wel centraler?”. Allemaal goede vragen. Enigszins retorisch natuurlijk, maar prima.

Laten we eens starten met het blijven bij de oorsprong van de decentralisatie en ons en elkaar houden aan de afspraken die gemaakt zijn voor een goede overgang. Haast rond contracten, cijfers die niet kloppen waardoor budgetten door gemeenten niet goed kunnen worden ingeschat. En vooral, deadlines die keer op keer niet gehaald worden. We hebben nog minder dan 60 werkdagen… Contracten met reguliere – kwalitatief goede! – zorgaanbieders zijn er simpelweg in veel gevallen nog niet. En als ze er (bijna) zijn, is er onduidelijkheid over het beschikbare budget dat soms wel tot 40% lager ligt. Bijna de helft minder kinderen kunnen helpen dus. Oftewel, van de 200 cliënten in een jaar naar ca 125 cliënten gaan. Bezuinigen prima. Maar snoeien op basis van verkeerde cijfers en verwachtingen, nee dat lijkt me niet.

Die focuslijst uit maart. Dat was een mooi geheel met heldere tijdsspanne. Er zijn maar weinig van de benoemde mijlpalen gehaald. Inkoop voor reguliere jeugdhulp (niet zijnde reclassering en jeugdbescherming, die stonden logischerwijs veel hoger op de prioriteitenlijst) moest voor oktober geregeld zijn, voor april moest per gemeente duidelijk zijn welke stappen zij moeten zetten om de verwijzing in te gaan richten. Verantwoordelijkheid om te kunnen verwijzen (wie doet en mag wat) moest vóór de inkoop in oktober geregeld zijn. Op al deze punten is uitgesteld, al dan niet stilzwijgend. De onzekerheid groeit daarom bij iedereen. Bij gemeenten en bij zorgaanbieders die niet weten of zij volgend jaar wel hetzelfde aantal kinderen kunnen helpen.

 Woensdag 24 september overlegt de Kamer weer over de voortgang van de transitie. De brief van de Transitiecommissie TSJ aan Minister van Rijn (VWS) zal zeker worden besproken. Daarin worden de onduidelijkheid over budgetgarantie en zorgcontinuïteit als grootste risico’s benoemd.

Dankzij Nieuwsuur staat hopelijk ook de inrichting van toegang tot de zorg nu hoger op de agenda.

UPDATE – 25 september
Op 24 september heeft Nieuwsuur gereageerd op de reactie van de gemeente Gemert dat de redactie van Nieuwsuur een verkeerde voorstelling van zaken zou hebben gegeven. De feiten zijn duidelijk en zoals hierboven weergegeven. Onder andere geven zij aan “In al het contact dat Nieuwsuur heeft gehad met de gemeente is steeds bevestigd dat de dorpsondersteuner degene is die het probleem met het kind of gezin in kaart brengt. Hij of zij inventariseert de hulpvraag en bekijkt of de problemen in het eigen netwerk op te lossen zijn. De dorpsondersteuning beoordeelt of er serieuze hulp nodig is. Uitgangspunt is dat “professionele inzet vanuit het formele netwerk zo min mogelijk moet worden ingezet”. ” Wat overigens in de beleidsplannen eveneens wordt bevestigd.

Mijn vraag over de inrichting van de toegang tot zorg – inclusief de laag ervoor, dus niet alleen wie indiceert of formeel verwijst – blijft dan ook onverminderd bestaan. Gemert is een voorbeeld. Nog ruim 400 gemeenten te gaan.

 

Meteen delen in jouw netwerk? Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedInShare on Google+Email this to someone

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *